19 September 2023

De Evangeliën en Jezus in het O.T.

"Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen."

"Maar als jullie Mozes werkelijk geloofden, zouden jullie ook Mij geloven. Want hij heeft over Mij geschreven."

"En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij (Jezus), begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had."

Inleiding

In de tijd dat Jezus hier op aarde was, kende het Joodse volk alleen de Tenach, wat voor ons het Oude Testament van de Bijbel is. Zijn komst naar deze aarde was reeds lang voorzegd in de Tenach. Mozes had al tot hen gesproken: Deut. 18:15-19. - "Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de HERE, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren."
Philippus doelde op deze woorden toen hij enthousiast tegen Nathanaël zei: Joh. 1:46. - "Wij hebben Hem gevonden, over wie Mozes in de wet geschreven heeft en ook de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth". Zie ook: Hand. 3:22 en Hand. 7:37.

Als Lucas en Kleopas, twee leerlingen van Jezus, drie dagen na Zijn kruisiging teleurgesteld huiswaarts gaan en onderweg de gebeurtenissen van de laatste dagen met elkaar bespreken, voegt Jezus zich bij hen en begint bij "Mozes"; dit zijn de eerste vijf boeken uit het Oude Testament; de Profeten; én de Psalmen, en legt hen uit al wat hierin op Hem betrekking heeft.

Ook in de Evangelien wordt zowel over- als door Jezus veelvuldig gerefereerd naar wat geschreven staat in deze geschriften en op Hem betrekking heeft. Met name het eerste Evangelie, dat van Mattheüs is vooral gericht aan de Joodse lezers omdat hier veelvuldig wordt gewezen op de beloften en profetieën uit de geschiften van Mozes en de profeten. Het Evangelie van Mattheüs begint met het geslachtsregister van Jezus, om aan te tonen dat Hij de drager is van God's beloften, Jezus zoon van David, zoon van Abraham. Het evangelie van Mattheüs is daarom ook oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven. Het Evangelie van Lucas is geschreven nadat Lucas de ontmoeting met Jezus had gehad op weg naar Emmaüs en zal dus ook veel van de verwijzingen bevatten die Jezus hem zelf had laten zien, maar ook het evangelie van Johannes bevat vele aanwijzingen zoals hierboven in het voorwoord al is aangegeven. Ik wil hier, in deze eerste Blog-bespreking, daarom ook beginnen met de verwijzingen uit de Evangeliën.

Geboorte

Matteüs 1:1 - Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham. Het allereerste vers van Matteüs begint al met een belangrijke verwijzing naar de Messias zoals voorzegt in de Tenach: Zie 1 Kron. 17:14 - Ik zal hem in Mijn huis en in Mijn koningschap voor eeuwig stand doen houden, en zijn troon zal voor eeuwig zeker zijn.
Hier spreekt de profeet Nathan deze woorden van de HEERE tot David aangaande zijn nageslacht en met het oog op Jezus wiens Koningschap is voor eeuwig !

Matteüs 1:18-22. - "De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus. Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest. Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden. Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden. Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide:
Jesaja 7:14. - "Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw (maagd) zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven" - hetgeen betekent: God met ons, God onder ons. ( ...en het Woord was God en het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, Zie Joh. 1). Zie ook: Lucas 1:26-35

Matteüs 2:1-6. - "Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen. Toen koning Herodes hiervan hoorde, ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem. En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden. Zij zeiden tot hem: Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de profeet:"
Micha 5:1. - En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. Let vooral op het laatste gedeelte: "wiens oorsprong is van ouds !" oftwel van den beginne... Zie Joh. 1

Matteüs 2:13-14. - Toen zij weggetrokken waren, zie, een engel des Heren verschijnt Jozef in de droom en zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf aldaar, totdat Ik het u zeg; want Herodes zal alles in het werk stellen om het kind om te brengen. Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte, en daar bleef hij tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Uit Egypte heb Ik mijn Zoon geroepen.
Hosea 11:1. - "Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen."
De Orthodoxe Joden geloven echter dat het hier alleen om Israël gaat. Zij baseren dit op Ex. 4:22-23, waar God, via Mozes, tot Farao spreekt: "Israël is Mijn eerstgeboren zoon, daarom zeg Ik u: Laat Mijn zoon gaan opdat hij Mij diene". Ik geloof echter dat de profetie, gesproken door Hosea, voor zowel Israël als voor Jezus geldt. Israël is God's eerstgeboren zoon terwijl Yeshua God's enig geboren Zoon is.

Matteüs 2:16-18. - Toen Herodes zag, dat hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied daarvan al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen, in overeenstemming met de tijd, die hij bij de wijzen had uitgevorst. Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia, toen hij zeide: "Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn.
Jeremia 31:15. - "Zo zegt de Here: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is".
Jeremia 31 is een belangrijk hoofdstuk m.b.t. God's Nieuwe Verbond (vs 31) dat Hij sluiten zal met Zijn volk en vele verwijzingen naar Yeshua, zoals o.a. vers 15.

Roeping en Bediening

Matteüs 2:21-23. - En hij stond op en hij nam het kind en zijn moeder en kwam in het land Israël. Toen hij echter hoorde, dat Archelaüs koning over Judea was in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan. En van Godswege in de droom gewaarschuwd, ging hij naar het gebied van Galilea, en, daar gekomen, vestigde hij zich in een stad, genaamd Nazaret, opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij Nazoreeër zou heten.
Zach. 6:12. - "een man wiens naam is Spruit, zal uitspruiten en Hij zal de tempel des Heren bouwen"
Nazaret is afgeleid van het Hebreeuwse woord נֵצֶר, netser = spruit, twijg, scheut. Dit woord "Spruit" zien we ook terug komen in Jesaja 11:1-2 (HSV) - " Want er zal een Twijgje (= Spruit, Rijsje, scheut, loot etc. ) opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï, en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen. Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten: de Geest van wijsheid en inzicht, de Geest van raad en sterkte, de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN." - Isaï was de vader van David.

Matteüs 3:16-17. - Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.
Jesaja 42:1-7. - "Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: Hij zal de volken het recht openbaren... Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal Hij niet uitdoven; naar waarheid zal Hij het recht openbaren... Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn."

Matteüs 4:12-16. - "Toen Hij vernam, dat Johannes overgeleverd was, trok Hij Zich terug naar Galilea. En Hij verliet Nazaret en ging wonen te Kafarnaüm, aan de zee, in het gebied van Zebulon en Naftali, opdat vervuld zou worden het woord, door de profeet Jesaja gesproken, toen hij zeide: Het land Zebulon en het land Naftali, aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: het volk, dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien, en voor hen, die gezeten zijn in het land en de schaduw des doods, is een licht opgegaan."
Jes. 8:23 - Jes. 9:1. - "Zo brengt Hij eer, over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, landstreek der heidenen. Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht".

Matteüs 7:29. - En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen versteld stonden over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden.
Micha 5:1. - "uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid."

Matteüs 8:16. - "Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met Zijn Woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen".
Exodus 15:26. - "want Ik, de HERE, ben uw Heelmeester."
Jes. 53:4-5. - "Onze ziekten heeft Hij op zich genomen en onze smarten gedragen... en door Zijn striemen is ons genezing geworden".

Matteüs 8:26-27. - "Toen stond Hij (Jezus) op en bestrafte de winden en de zee, en het werd volkomen stil... wat voor iemand is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn ?"
Psalm 104:3-4. - "Hij wandelt op de vleugelen van de wind en maakt de winden tot Zijn boden".

Matteüs 11:2-6 / Lucas 4:18-19. - Johannes nu hoorde in de gevangenis de werken van de Christus en liet Hem door zijn discipelen de vraag overbrengen: Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie. En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt.
Jes. 29:18-19 / Jes. 35:5-6 / Jes. 61:1
Te dien dage zullen de doven Schriftwoorden horen, en van donkerheid en duisternis verlost, zullen de ogen der blinden zien. En ootmoedigen zullen steeds meer vreugde hebben in de Here, en de armsten onder de mensen zullen juichen in de Heilige Israëls.

Matteüs 11:7-14. - "Toen begon Jezus ... te zeggen van Johannes: Deze is het, van wie geschreven staat: Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg voor U heen bereiden zal. Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar.... en indien gij het wilt aanvaarden: Hij is Elia, die komen zou.
Maleachi 4:5. - "Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des Heren komt."

Matteüs 16:15-18. - "Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Simon Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God! Jezus antwoordde en zeide: Zalig zijt gij, Simon Barjona, want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is. En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen. Jes. 28:16 "Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen van een vaste grondslag;"

Matteüs 21:1-11. - "Nadat de discipelen heengegaan waren ... brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun klederen erop, en Hij ging daarop zitten. En het merendeel der schare spreidde hun klederen op de weg, anderen sloegen takken van de bomen en spreidden die op de weg. En de scharen, die vóór Hem uit gingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren; Hosanna in de hoogste hemelen! En toen Hij Jeruzalem binnenging, kwam de gehele stad in rep en roer en zeide: Wie is dit? En de scharen zeiden: Dit is de profeet, Jezus, van Nazaret in Galilea.
Zacharia 9:9. - "Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong".

Matteüs 21:13. - "En Jezus ging de tempel binnen en dreef allen uit, die verkochten en kochten in de tempel, en de tafels der wisselaars keerde Hij om en de stoelen van hen, die de duiven verkochten, en Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis heten, maar gij maakt het tot een rovershol".
Jeremia 7:11. - "Is dit huis, waarover mijn naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol? En Ik – zie, Ik heb het wel degelijk opgemerkt, luidt het woord des HEREN."

Matteüs 22:42-45. - Toen de Farizeeën bijeen waren, vroeg Jezus hun, zeggende: Wat dunkt u van de Christus? Wiens zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon. Hij zeide tot hen: Hoe kan David Hem dan door de Geest zijn Here noemen, als hij zegt: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden onder uw voeten gelegd heb. Indien David Hem dus Here noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?
Psalm 110:1"Aldus luidt het woord des HEREN tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten."

Johannes 5:39 HSV

U onderzoekt de Schriften, want u denkt daardoor eeuwig leven te hebben, en die zijn het die van Mij getuigen.

Johannes 5:45-47

U moet niet denken dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; Mozes, op wie u uw hoop hebt gevestigd, klaagt u aan. Als u Mozes zou geloven, zou u ook Mij geloven, hij heeft immers over Mij geschreven. Maar als u niet gelooft wat hij geschreven heeft, hoe zou u dan geloven wat Ik zeg?’

Lijden en sterven

Matteüs 26:55-56 - "Op dat ogenblik sprak Jezus tot de scharen: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten in vervulling zouden gaan. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten."

Wat betreft de profetieën m.b.t. het lijden en sterven van Jezus in het Oude Testament hoeven we niet diep te graven. Verreweg het meest bekende gedeelte vinden we in Jesaja 53 maar ook Psalm 22 en Psalm 69 hebben weinig uitleg nodig en zijn sprekende voorbeelden hiervan.

Toen zeide Jezus tot hen: "Gij zult allen aan mij aanstoot nemen in deze nacht. Want er staat geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Matteüs 26:31 Zie: Zacharia 13:7 - "Zwaard, waak op tegen Mijn Herder, tegen de man die Mijn metgezel is, luidt het woord van de Here der heerscharen; sla die Herder, zodat de schapen verstrooid worden; en Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen." Jezus voorzegt hier het beleg en de val van Jeruzalem door de Romeinen onder leiding van de toekomstige keizer Titus in het jaar Zeventig.

Meent gij dat Ik Mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen ? Hoe zouden dan de schriften in vervulling gaan, die zeggen dat het aldus moet geschieden ? Zie: Matteüs 26:53-54 Jezus doelt hier o.a. op Psalm 22:7 / Psalm 69:2-10

Slotwoord:

De gehele Tenach, het Oude Testament, staat vol met verwijzingen naar de komende Christus. Mozes spreekt in Deuteronomium 18:15,18 - "een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied." Tot op de dag van vandaag verwachten de Joden nog steeds beloofde Messias. Ze hebben Yeshua niet herkend als de Christus die komen zou doch hebben Hem (laten) kruisigen. Ook dit was allemaal volgens God's souvereine plan en voorzegd door de profeten. De Christus moest gekruisigd worden om de zonden der wereld op zich te nemen als een smetteloos Lam. God zelf heeft de Joden ogen gegeven om NIET te zien en oren om NIET te horen. Zie: Jesaja 6:9-10 en Jesaja 8:13-14. Israel is Gods dienstkecht en door God geroepen om het Evangelie over de ganse aarde bekend te maken. Zie ook Rom. 11:11-24. Maar, zoals voorzegd in Zacharia 12:10 zullen zij Hem zien komen en herkennen als Hij terug komt op de Olijfberg om Zijn dienstknecht Israel te verlossen van al hun vijanden.